Bernke Klein Zandvoort beweegt zich tussen de beeldende kunst en literatuur. Ze publiceert poëzie en literaire essays, maakt videowerk, lecture-performances en live video-essays. Daarnaast werkt ze als adviseur, docent en redacteur.

Oogsprongboek2026

In Oogsprong verweef ik allerlei soorten onderzoek naar zicht en blindheid met de levensverhalen van een aantal vrouwen die over (on)zichtbaarheid gaan. Een even intiem, poëtisch als lucide essay over kijken en bekeken worden. Over beelden baren met onze ogen.

Het oog dat (niet) leestlezing2025

Poëtische reflectie over wat de oogbewegingen van een lezer met het essay als literaire vorm te maken hebben. Waar het ook over gaat: vroege eye trackers, (selectieve) blindheid terwijl we kijken en bladzijden die licht doorlaten.

Magia/No Magiatijdschrift2024

Als gastredacteur stelde ik een nummer samen over Mexico door de lenzen van 26 vrouwelijke auteurs.

Coyolxāuhqui en het verbonden denkenlezing2024

De mythe over een Mexicaanse maangodin is op verschillende manieren geduid. In deze lezing verweef ik de diverse interpretaties met het idee van verdeeldheid zoals dat door koloniale overheersing tussen lichamen, in hoofden en in landschappen werd aangebracht. De verhaallijnen zijn poreus en worden deels verteld door de poëzie van vier Mexicaanse dichters.

The Rope from Sense to Sensevideowerk2023/24

In samenwerking met straatmuzikanten die blind zijn, verken ik het idee van een akoestische blik. Uit interviews selecteerde ik een verzameling zinnen, die ik aan de muzikanten terug gaf als materiaal voor een nieuw lied.

Eye as an Oraclevideowerk2023

Een kunstoog, fantoombeelden en het voorspellende brein: waar speelt ons zicht zich af?

Veldwerk, Uitzicht is een afstand die zich omkeertdichtbundels2020, 2013

In de gedichten verzamel ik data en vragen die me gezelschap houden: welke rol spelen we zelf in het construeren van onze realiteit?

Hands are no Horizonsvideowerk2023

Een kunstenaar die niet kan zien reproduceert haar spiegelbeeld op de tast.

Optic Eclipseinstallatie2022

Het notitieboek laten uitdijen. Dieper graven. De eindeloze hoeveelheid ramen geopend op onze schermen, overlapt met de ramen die opengaan in een hoofd.

Onder een stolpessay2022

'De oogst ontkiemde niet uit sporen, zaden of stekjes, maar uit een gelei van genen die op schone tafels, in schone petrischaaltjes en met behulp van gesteriliseerde mesjes en pincetten in een laboratorium werden gekweekt.'

The Gaplive video-essay2019

In deze performance geef ik via verschillende verhaallijnen steeds een andere invulling aan de komma als tussenruimte.

In De Fuik Van De Taalessay2019

Mijn moeder begon met een kortere werphengel, omdat ze nog niet de kracht bezat om over de volle lengte van een volwassen hengel een vis op te hijsen. Dat moet rond haar zevende of achtste zijn geweest.

Decoding Dictatorial Statuesboek2019/2026

Hoe kunnen we standbeelden en hun visuele taal, hun materialiteit, hun rol als media-iconen en hun stem in politieke debatten ontleden?

de dwaasgedicht2020

'... maar ik trok de Dwaas, ze zei: vroeger was je een non die alleen maar leefde van landschappen, vandaag ben je zo vrij als je jezelf toestaat'

Everything at Work in the Field of Playinstallatie2018

Toen zijn ouders op een avond in 1928 niet thuis waren, begon een jongen in zijn Londense achtertuin gaten te graven. In een van de gaten stuitte zijn schep op 120 cm diepte op iets hards.

In veel van haar werk gaat het over de relatie tussen visuele perceptie en taal – over hoe we de wereld om ons heen door de lenzen van woorden leren kennen én vormgeven. Ze ziet tekst als materiaal en is geïnteresseerd in de porositeit tussen woorden en beelden, in vertaling als het uitbreiden van de waarneming.

Van 2017 - 2018 was ze artist-in-residence aan het post-academische instituut Jan van Eyck Academie. In 2021 werd haar tweede dichtbundel, Veldwerk, genomineerd voor De Grote Poëzieprijs en de Paul Snoekprijs (BE), en was ze festivaldichter op Poetry International.

Op dit moment werkt ze aan een videowerk en een boek-lang essay over zicht en blindheid, dat april 2026 zal verschijnen bij uitgeverij Querido. Ook is ze coördinator van het Schrijversprogramma en adviseur tekst op de Jan van Eyck Academie in Maastricht.

Teksten (selectie)


Zaaltekst LUCA May I Kiss you? Drawing Centre Diepenheim, 2026

Het oog dat niet leest, column Jan Hanlo Essayprijs, 2025

Onder een stolp, essay voor AgriValley, Mirte van Duppen, 2022

Essay, Onzichtbare inkt, De Gids, 2022

Landschapskijkers, essay, de Revisor, 2022

Binnenpost, online briefwisseling met Alfred Schaffer, SLAA x de Revisor, 2020

Inleiding Decoding Dictatorial Statues, Onomatopee publishers/ Set Margins, 2019/2026

In de fuik van de taal, essay voor Mr. Motley x Holland Festival, 2019

Nieuws


CV

CONTACT
bernke.begint@gmail.com

NIEUWSBRIEF
Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief

In De Fuik Van De Taalessay2019

Mijn moeder begon met een kortere werphengel, omdat ze nog niet de kracht bezat om over de volle lengte van een volwassen hengel een vis op te hijsen. Dat moet rond haar zevende of achtste zijn geweest. In haar tienerjaren werd ze sterk genoeg en bracht ze dezelfde uitzet mee als haar vader. Laarzen, regenjas, lagen warme kleren, pieren die de avond ervoor op het strand waren gestoken. De boot ging ‘s ochtends vroeg uit en bleef vervolgens heel de dag midden op zee op hetzelfde punt liggen. De vangst hing overboord in netten die ‘leefnetten’ werden genoemd. ‘s Avonds werden de netten op het dek getrokken en ging de sloep terug richting kust.

Voor mijn moeder is dit een dierbare herinnering. In een van haar dagboeken bekijk ik een bladzijde waarop naast een boot met heel veel golftekens, vissenmetpappa is geschreven. Het zijn de ongelijke letters van een kind voor wie het nog nieuw is om gedachten via een pen te materialiseren. De woorden aan elkaar gekoekt zoals je in je kindertijd de dingen kon ervaren: als een lange, ononderbroken stroom.

Ik moest aan zeevissen denken omdat ik Spaans probeer te leren. Het Spaans heeft twee verschillende woorden voor wat wij met een woord ‘vis’ noemen, pez en pescado. Als ik mijn lerares ernaar vraag, legt ze uit dat een vis die in het water zwemt met pez wordt aangeduid, en een dode vis met pescado. Ik laat het verschil even op me inwerken. De lerares heeft alle tijd. Ze ontvangt me elke week bij haar thuis, dan liggen de volkoren biscuits weer in een waaier klaar op een ovalen schaaltje. Zes, dan is de waaier rond. En elke week stellen we opnieuw lacherig maar toch zeker ook een beetje ongemakkelijk vast, dat het me nog steeds niet lukt de rollende rrrr te maken, die haar taal tot haar taal laat klinken.

Maar pez en pescado zijn twee woorden die ik makkelijk zeg, en boven de biscuits vraag ik mijn lerares of mijn aanname klopt dat vis A die in het water zwemt, en vis A die ik daarna opeet, dus twee verschillende benamingen heeft. En dat de toepassing van het juiste woord te maken heeft met het vaststellen of een vis levend of dood is. Hier blijkt het toch ingewikkelder dan gedacht. Het omslagpunt heeft namelijk niets te maken met de aan- of afwezigheid van ademhaling. Een vis die in zee zwemt is pez. Maar een vis die aan het aas van een visser hapt, boven het wateroppervlak uitgetrokken wordt en spartelend op het dek van een boot ligt, dat is allemaal pescado. In ijs gelegd, op een marktkraam of op de arm van een ober geserveerd – pescado pescado pescado. Mijn moeder keek dus uren naar haar dobber in de hoop pez te vangen, maar het moment dat ze die aan haar hengel had, trok ze pescado uit het water.

Het is misschien een beetje overdreven, mijn focus op deze twee woorden. Uitstel gedrag pur sang. In de slechtste lezing over mezelf gebruik ik mijn fixatie als excuus om me niet zo met mijn rollende rrr bezig te zijn. Iemand grapte dat het in bepaalde Zuid-Koreaanse kringen in de jaren ‘90 gebruikelijk was om de tongriemen van kinderen door te snijden, zodat ze de Engelse r goed konden uitspreken. Met een betere r zouden de kansen in hun leven worden vergroot. Mijn bezorgdheid over de Spaanse rrrr leidt me naar een hoeveelheid Youtube tutorials waarin mensen via close-ups van prachtige en minder prachtige gebitten, voordoen hoe het moet. Een Russische vrouw legt uit dat je je tong tegen de achterkant van je voortanden moet leggen om er dan een soort halve loop mee te maken, waar de klank overheen kan rollen.

Tevergeefs.

In de beste lezing ben ik iets op het spoor. Ik heb het idee dat als ik het gebruik van pez en pescado kan doorgronden, ik iets over het wezen van het Spaans te weten kom. Misschien ligt er wel een wezenlijk andere filosofische blik op de dingen in het Spaans vervat. Misschien stellen de twee woorden eigenlijk de vraag: kan een vis nog dezelfde vis zijn, als de mens in het plaatje komt?
Maar daar kom ik in de knoop. Want mijn docent, die nooit diep over dit verschil heeft nagedacht en nu hardop allerlei scenario’s op pez en pescado test, vertelt dat het niet per se over de nabijheid van de mens gaat. Als ik stil op een boot zou zitten of naast een vis zou zwemmen, is er niets aan de hand. Het gaat om de seconde dat de vis naar het aas hapt. Het moment dat de vis in de fuik van de mens zwemt, of eigenlijk: in de fuik van de taal. Met de verandering van het woord, bekijken we hetzelfde dier vanuit een ander kader. Pescado kan je eten.

Ik zocht naar vergelijkbare woordveranderingen in het Nederlands. Een rups wordt een vlinder, en hoewel dat gaat over de benaming van verschillende levensfasen, vraag ik me af of we de rups en vlinder in diepste niet als twee verschillende dieren zien. Een donderkopje wordt een kikker – idem. Maar het dichtst bij pez en pescado liggen waarschijnlijk de woorden ‘koe’ en ‘vee’. Hoewel de vergelijking niet helemaal op gaat (we kennen in Nederland helaas weinig wilde koeien, en ook duiden we vee in een weiland gerust als koeien aan) zijn er bewuste momenten dat een koe vee wordt genoemd. Met de overlevering van woorden als ‘vee’ en ‘pescado’ wordt ons gedachtegoed op een specifieke manier in stand gehouden.
Dus meer dan iets over het wezen van het Spaans, zie ik in de woordverandering van pez naar pescado iets over het wezen van de mens opdoemen. Over onze taal, welke taal dan ook.

Ik moest denken aan de psycholoog en filosoof William James (1842-1910) die onze relatie met de wereld beschrijft als een een continu maken van uitsneden. What shall we call a thing anyhow? vraagt hij zich af.

It seems quite arbitrary, for we carve out everything, just as we carve out constellations, to suit our human purposes. For me, this whole ‘audience’ is one thing, which grows now restless, now attentive. (...) But in your own eyes, ladies and gentlemen, to call you ‘audience’ is an accidental way of taking you. The permanently real things for you are your individual persons. To an anatomist, again, those persons are but organisms, and the real things are the organs. Not the organs, so much as their constituent cells, say the histologists; not the cells, but their molecules, say in turn the chemists.

We break the flux of sensible reality into things, then, at our will. We create the subjects of our true as well as of our false propositions.

Van jongsafaan leren we de stroom aan realiteit die ons continu omringt, op te breken in losse elementen. Taal speelt daarin een grote rol. Door iets te benoemen, maken we een uitsnede. Op die manier blijft de werkelijkheid, die we misschien in de grond van de zaak angstaanjagend mysterieus vinden (ik in ieder geval wel), geordend en overzichtelijk. Maar omdat we taal voor bijna alles in ons leven gebruiken, vergeten we vaak dat het geen neutraal materiaal is. Woorden zijn ook maar door ons gemaakt. In het woord, in de uitsnede, ligt onze relatie met het ding besloten. En misschien gaat het zelfs verder; vertelt het woord niet alleen over die relatie, maar plooit de werkelijkheid zich naar onze woorden. Geven de woorden waarmee we kunnen denken, ook de inhoud van die gedachten vorm. Bepalen ze hoe we met de dingen omgaan.

Nu gaat de boot allang niet meer uit en is mijn opa vertrokken. Zijn regenjas hangt als een reliek aan de kapstok in mijn ouderlijk huis. Toen ik mijn moeder voor het schrijven van deze tekst belde, bekende ze dat ze moeite heeft gekregen met haar herinneringen over het zeevissen. Niet met het geheel, maar met een paar elementen. Ze vraagt zich af hoe het kan dat ze nu pas, decennia later, ziet dat de vissen uit de leefnetten gehaald, de hele terugweg op het dek naar adem lagen te happen. Dat de gewoonte vissenmetpappa zich als zo’n natuurlijk geheel voordeed, zo’n brok vanzelfsprekenheid, dat de elementen waaruit die gewoonte bestond, jarenlang niet los gezien konden worden, laat staan bevraagd.

Zelf kreeg mijn moeder vier kinderen. Een ervan, mijn jongere broer, sleet hele middagen aan de sloot voor ons huis. Hij had een gewone hengel met aas van gedraaide bolletjes brood. Aan dezelfde sloot visten nog meer jongetjes van zijn leeftijd, en het gerucht gonsde dat er een snoek in het bruine water leefde. Als die ooit gevangen zou worden, was de regel, zou die weer vrijgelaten worden, zodat iedereen ‘m eens kon vangen.

IN DE FUIK VAN DE TAAL
Voor Mr. Motley i.s.m. Holland Festival

Sluit